Driepartijenverrekening: een mythe of mogelijk? 

Laatst heb ik mij moeten buigen over de vraag of driepartijenverrekening mogelijk is. Vaak is jurisprudentie- en bronnenonderzoek orde van de dag bij onderwerpen die alleen maar vragen oproepen. Het duurde niet lang voordat ik erachter kwam dat er niet veel wetenschappelijke artikelen en uitspraken zijn over het onderwerp ‘driepartijenverrekening’. Inherent aan driepartijenverrekening is de normale verrekening ex art. 6:127 BW. Uit het hoofdartikel blijkt niet dat driepartijenverrekening mogelijk is, doch dit betekent niet dat driepartijenverrekening eenvoudigweg uitgesloten kan worden. Aan de hand van een uitspraak van de Hoge Raad en een eigen visie, zal dientengevolge de mogelijkheid tot driepartijenverrekening uiteengezet worden.

Voorbeeld complexe driepartijenverrekening:

A heeft een boekhoud bedrijf in de vorm van een Besloten Vennootschap en is hiervan enig statutair directeur en enig aandeelhouder. A doet de boekhouding voor B. B is een timmerman, maar in dit geval voert hij werkzaamheden uit aan het appartement van A in privé (als natuurlijk persoon, niet handelend vanuit bedrijfsperspectief). Gewoon bij A thuis dus. B komt langs voor een kopje koffie en timmert een paar houten panelen in de keuken van A. A zegt vervolgens dat de facturen van de timmermansdienst van B en de facturen van de boekhouddienst verrekend kunnen worden.

Maar mag A in privé hier wel zeggen dat de timmermansdienst van B wordt verrekend met de boekhoudingsdienst?

Bevindingen

Na uitvoerig onderzoek is de conclusie te trekken dat, privaatrechtelijk gezien, in principe veel afwijking mogelijk is, mits het regelend recht is, het niet strijdig is met dwingende bepalingen, redelijkheid en billijkheid en meer. Toch ondervind ik wel problemen bij het uitgangspunt van de vormvrijheid.

Verder met het voorbeeld

A in privé wil niet meer dat de verrekening gaat plaatsvinden. B beroept zich op de verrekening van de facturen van A met de facturen van B op het appartement van A in privé. De vereisten van verrekening ex art. 6:127 BW stellen vast dat ook slechts een mondelinge verrekeningsverklaring de verrekening rechtsgeldig kan maken. In principe kan dit geschil makkelijk worden afgedaan als A alsnog instemt met de driepartijenverrekening. Echter, dit gebeurt niet. A stelt zich op het standpunt dat er geen instemming is geweest met de driepartijenverrekening en wordt door B in rechte betrokken.

De vraag die de rechter dient te beantwoorden is of driepartijenverrekening mogelijk is.

Hoge Raad

Er is één uitspraak van de Hoge Raad (Hoge Raad 23 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:428) waar een soortgelijk geval wordt behandeld. Hierbij heeft Previa een vordering van EUR 83.000,– op AA accountants. Maar, meent AA accountants, tussen partijen is overeengekomen dat de vordering van Previa verrekend zou worden met de vordering van AA accountants op het moederbedrijf van Previa, P&H Holding B.V. Voor verrekening is het vereist dat, volgens art. 6:127 lid 2 BW, er sprake is van wederkerige schuldenaars en schuldeisers die over en weer een vordering op elkaar hebben. Bij driepartijenverrekening is er geen sprake van wederkerige schuldenaars en schuldeisers. Dus kan je zeggen dat hiervan wordt afgeweken.

De Hoge Raad stelt vast dat het ontbreken van het wederkerige schuldenaarschap de verrekeningsbevoegdheid niet belet, in tegenstelling tot wat het hof had vastgesteld. De door AA accountants overgelegde uitvoerige correspondentie over de door P&H Holding B.V. ingeroepen verrekening heeft de Hoge Raad kunnen accepteren als een contractuele afwijking van de normale verrekening ex art. 6:127 BW.

Conclusie over de complexe driepartijenverrekening

Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad zou je kunnen concluderen dat de correspondentie over de verrekening bepalend was voor de afwijking van de verrekeningsbevoegdheid. Er is contractueel overeengekomen dat er zou worden afgeweken van de normale verrekening. Als gevolg van die afwijking is een derde partij deel geworden van de verhouding tussen schuldenaren en schuldeisers.

In het geval van de complexe driepartijenverrekening van het voorbeeld, kan de vorm van de ingeroepen verrekening nog voor problemen zorgen. A heeft slechts mondeling verklaard dat er een verrekening zou plaatsvinden tussen de drie partijen en ziet hier later van af. Er is geen blijk van uitvoerig overleg en bewijsstukken, zoals in de uitspraak van de Hoge Raad. Bovendien is er nooit uitvoering gegeven aan de verrekening en mocht B er dus ook niet op vertrouwen dat de verrekening werkelijk zou intreden. Uitvoering van de verrekening zou, mijn inziens, onredelijk voorkomen op grond van de omstandigheden.

Stel je voor dat er ook nog eens discussie ontstaat over de uitvoering van de werkzaamheden van B, en dus discussie over de vordering, is het dan redelijk om de verrekening in te laten treden?

Wanneer verrekening wordt ingeroepen en of dit mogelijk is hangt dus af van alle omstandigheden van het geval. Het zal veelal aan de rechter zijn om uiteindelijk te bepalen of de verrekening tussen driepartijen al dan niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en kan intreden.

Isabelle Serrano